Zwanenzang van een ouderwetse schoolmeester

[Update, 2012]

Over de teloorgang van het academisch hoger onderwijs

Ik ben een slecht profeet. Sterker nog, ik ben helemaal geen profeet en gevoel ook niet de minste ambitie in die richting. Dus een vooruitblik op de toekomst van het academisch onderwijs aan een theologische faculteit is aan mij niet besteed. Hoewel, je hoeft helemaal geen profetische gaven te hebben om te kunnen voorspellen dat er in de komende tijd steeds drastischer maatregelen genomen zullen worden om het universitaire bestel draaiende te houden: meer efficiëntie, hogere rendementen, betere voorzieningen, hogere scores op studenttevredenheidsonderzoeken en internationale ranking lists, meer controle, een groter marktaandeel en vooral een heel verstandig, risicomijdend financieel-economisch beleid en een beetje commercieel denken (een beetje de Mammon dienen, zou Jezus denk ik zeggen).

Ik heb me daar altijd heel erg ongemakkelijk bij gevoeld en heb daar ook nooit een geheim van gemaakt. Wanneer succes uitsluitend en alleen wordt gedefinieerd in termen van economisch nut, studentenaantallen en rendementscijfers, dan is er in onze tak van sport (ik bedoel: in het academische levensbeschouwelijk en (geestes)wetenschappelijk onderwijs) iets mis: moet het daar juist niet gaan om de idealen? Om dat wat juist onderscheidend, tegendraads en anders is? Maar economische belangen en meetbare resultaten zijn inmiddels helaas bepalend voor de inrichting en (soort van) kwaliteit van het hoger onderwijs. En daarmee ook voor de zak met geld – de judaspenningen – die we jaarlijks van de minister onder dankzegging in ontvangst mogen nemen.

Visitatiecommissies zien graag cijfers en statistieken, willen alles gedocumenteerd zien, alles in dikke rapporten vastgelegd zien. En daar zijn mensen voor nodig, heel veel mensen. T is soms bij de konijnen af: het begint er met één, vervolgens nog één en nog één, vervolgens een commissie hier, een commissie daar, gevolgd door allerlei interne en externe overlegorganen en weldoordachte vergaderstructuren en ga zo maar door. Non solum ea faciunt sed et consentiunt facientibus. Allemaal om maar bij de hogere machten in Den Haag en Zoetermeer in de gunst te komen.

Zo is er in de loop van de tijd een hele ‘tussenlaag’ van priesters (managers, ambtenaren, beleidsmedewerkers, coördinatoren, kwaliteitsmedewerkers, secretariaatsmedewerkers, onderwijsinspecteurs, techneuten en ict-ers) ontstaan. Deze bureaucratische priesterkaste staat tussen de gewone gelovigen (docenten en studenten) en de hemel in (de hemel reikt, voor de goede orde, in deze metafoor niet verder dan Zoetermeer en Den Haag). Zij ‘bemiddelt’ alles wat van boven komt in hapklare brokjes naar beneden. Deze tussenlaag van priesters heeft inmiddels zo veel impact dat zij niet meer weg te denken is uit het hedendaagse onderwijsbestel. Elke wijziging die er vanuit Den Haag komt (elk jaar weer veranderingen en ‘verbeteringen’), grijpt zij aan om zichzelf meer onmisbaar te maken. Non solum ea faciunt sed et consentiunt facientibus. Het Systeem – zulk soort woorden schrijf ik graag met een hoofdletter – reproduceert zichzelf dan ook met een factor waarop de doorsnee-gemeentegroei-activist of Amerikaanse tele-evangelist alleen maar jaloers kan zijn. De doorsnee-docent is meer met Excel en Powerpoint bezig dan met zijn vak (of, aangepast aan de couleur locale van een theologische faculteit: hij is meer met Word dan met het Woord bezig, echt een héél foute woordgrap, ik weet het). Maar de huidige docent (om nog maar te zwijgen van de huidige hoogleraar) is dan ook een echte professional, d.w.z. hij of zij weet zich staande te houden in de professionele jungle van procedures en protocollen, van kwaliteitseisen en administratieve verplichtingen. Hij is een kenner van (papieren) beroepsprofielen, een expert in het ontwikkelen van slimme toetsmatrijzen en weldoortimmerde semestertoetsen en weet zijn readers keurig volgens de voorgeschreven richtlijnen op te maken en aan te leveren (daar heeft-ie immers allemaal cursussen voor mogen volgen). Het primaire onderwijsproces – het ‘geweld’ in de collegezaal tussen student en docent – is daarmee om zeep geholpen: de docent is slechts uitvoerder van een Protocol (ja, ja, met een hoofdletter!). Waarom dat Protocol er eigenlijk is, of we het überhaupt wel nodig hebben, of waar het ons ten diepste allemaal om begonnen was, en of we onze oorspronkelijke visie en idealen inmiddels niet allang overboord hebben gegooid, dat is allemaal van ondergeschikt belang zolang het Systeem blijft draaien.

En wat merk je hier als student eigenlijk van? Dat is de hele tragiek! Je merkt er helemaal niets van maar je bent er wel de dupe van! Dat er dramatisch in het aantal contacturen wordt gesneden, dat er een heleboel vakken niet meer bestaan zonder dat er iets zinnigs voor in de plaats gekomen is, dat de vakinhoud bijna helemaal weg is (waar hebben we het in colleges en werkgroepen eigenlijk nog over?), daar merk je als student die net binnenkomt natuurlijk niets van. Nee, je draait moeiteloos mee in het Systeem (tenminste, zolang het Systeem je dat toestaat). Pas helemaal aan het eind van de opleiding of niet lang daarna – wanneer je in de weerbarstige praktijk bent aanbeland – wreekt zich dat, maar ja, dan is het wel te laat …

Ik hoop dat de wal het schip zal keren, maar ik ben daar niet gerust op. De priesterkaste – het Genootschap van Protocollenbedenkers – heeft de neiging zichzelf onmisbaar te maken. Ik wed dat we zelfs in de eeuwigheid nog niet om ze heen kunnen. Dus, beste student, leer er maar mee te leven of ga snel wat anders doen …

Libera nos a malo!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s